Of het nu een geplande bivak is of de tocht langer duurt dan verwacht: een slaapplek wordt vaak pas gezocht als de schemering al is gevallen. Dan is er geen licht, tijd of rust meer om gevaren te zien, en neemt men het eerste redelijk vlakke stukje.
’s Nachts koelt het af, vaak meer dan verwacht – vooral in kuilen en dalen waar koude lucht naartoe stroomt, en op heldere, windstille nachten. De grond onttrekt voortdurend warmte aan een liggend lichaam; zonder isolatie eronder heb je het koud, zelfs onder een goede deken.
De typische gevaren komen van boven, beneden en opzij: dode takken en rotte bomen die bij wind breken; geulen en droge beekbeddingen die bij regen snel vol water kunnen lopen; steenslag onder rotswanden; lawinehellingen in de winter. Daarbovenop komt koolmonoxide als er een kooktoestel in een tent of onder een tarp wordt gebruikt.
Waar het om gaat: begin vroeg, controleer de plek grondig zolang het licht is, zorg voor isolatie van de grond en bescherming tegen wind en nat, houd droge kleren klaar voor de nacht – en respecteer de plaatselijke regels voor overnachten en vuur.